“Is dit beleid, of is hier over nagedacht?”
- Mark Doorn

- 5 hours ago
- 4 min read
Historische woorden van Jan Schaefer, van oorsprong banketbakker, maar vooral bekend geworden als politicus tussen 1971 en 1990 en voorstander van duidelijk taalgebruik in de politiek. Zijn meest beroemde uitspraak was: “In geouwehoer kun je niet wonen!” over het toenmalige woningbeleid. Een heldere zin die nog altijd opgeld doet. Er kwam helaas een moment dat we besloten dat woorden niet meer genoeg waren. Dat ze te helder waren. Te precies. Misschien zelfs wel te gevaarlijk, want wie ze duidelijk spreekt, kan worden begrepen. En wie wordt begrepen, kan erop worden aangesproken.

Sinds die tijd spreken we geen taal meer, maar bedienen we ons van een vocabulaire. Neem nu het woord ‘verhaal’. Een prachtig woord dat iedereen begrijpt. We hebben tenslotte allemaal een verhaal. Met een begin, een midden en een einde. Je kunt het vertellen zonder white paper. Maar het vertellen van een verhaal was te overzichtelijk en werd het een 'narratief'. Een narratief heeft geen begin of einde, maar wel ‘draagvlak’. Het hoeft niet waar te zijn, zolang het maar goed gepositioneerd wordt binnen de juiste context.
Je hoort het overal. In vergaderzalen, tijdens congressen, op podia en in interviews waar iemand vooral bezig is zichzelf niet vast te pinnen op iets concreets. “We moeten het narratief herijken”. Een merkwaardige zin, want eigenlijk staat er: "We hebben geen idee wat we bedoelen, maar daar gaan we nog even niet eerlijk over zijn."
Taal is een schuilplaats geworden. Een zorgvuldig opgetrokken constructie van woorden waar je achter kunt verdwijnen. Hoe vager de zin, hoe veiliger de spreker. En daarmee hopen we dan impact te maken. Impact; het woord dat alles betekent en dus niets meer zegt. Impact is het rookgordijn van de hedendaagse communicatie. Iets heeft impact, of iets heeft geen impact, maar niemand die nog weet wat dat precies inhoudt. Heeft het pijn gedaan? Is er iets veranderd? Iemand geraakt? We zullen het nooit weten, maar het klonk indrukwekkend en daar ging het om.
En dan ‘inclusie’ en ‘diversiteit’. Begrippen die ooit scherp waren, noodzakelijk zelfs. Nu zijn het vooral verplichte ingrediënten in elke zin die zichzelf serieus neemt. Ze worden niet meer gebruikt om iets te benoemen, maar om iets te suggereren: kijk, wij deugen!
‘Implementeren’. Een woord dat zo zwaar is dat het bijna vanzelf lijkt te gebeuren. Niemand doet nog iets … we implementeren. Alsof de handeling daarmee automatisch belangrijker wordt, of op zijn minst trager, zodat niemand merkt dat er eigenlijk niets gebeurt.
Het zijn woorden geworden die zo vaak zijn uitgesproken dat ze inmiddels niets meer hoeven te dragen. Ze hangen er een beetje bij, als morele ondertiteling.
In Den Haag hebben ze deze taal tot kunst verheven. Kamerleden, ministers en staatssecretarissen spreken een soort vloeibare mist die zich elegant om elke concrete vraag heen beweegt. Als de bewindslieden het even niet meer zo goed weten – en dat komt nog wel eens voor – beloven ze te komen met ‘een pakket aan maatregelen’. Briljant!!
Een 'pakket' klinkt alsof er nachten is doorgewerkt. Alsof er stapels papieren zijn doorgespit. Alsof iemand ergens verantwoordelijkheid heeft genomen. Helaas komt het in de praktijk vaak neer op: we hebben nog niets besloten, maar we willen u niet met lege handen laten staan.
En wij knikken. Natuurlijk. Een pakket. Wat fijn dat het niet één maatregel is, maar een heel pakket! Niemand die vraagt: "Wat zit er eigenlijk in dat pakket en wat gaan jullie nu eigenlijk concreet doen?" Waarschijnlijk omdat we ergens het antwoord al weten.
Een andere ergernis blijven afkortingen, maar wat zijn ze handig. Hoe meer letters, hoe minder vragen. We worden geacht te begrijpen wat er bedoeld wordt, en als we dat niet doen, ligt het probleem waarschijnlijk bij ons en zeker niet in de taal die zich doelbewust onbegrijpelijk heeft gemaakt. Het leukste is als losse letters worden gebruikt als een schijn van systematiek, een soort letterfetisjisme, noem het managementalliteratie.
De 3 V’s, de 3 P’s en de 3C’s, maar natuurlijk ook de 4 V’s, de 4D’s en de 5E’s. Het oogt als een methode. Alsof er iemand onderzoek naar heeft gedaan. Alsof het is getest, gevalideerd en misschien wel ergens gepubliceerd .. zeg maar … de 3G’s. In werkelijkheid is het niet meer geweest dan een avondje schuiven met woorden, net zo lang tot het lekker bekt. Het klinkt overtuigend, bijna onvermijdelijk. Vier willekeurige woorden, keurig uitgelijnd en ineens voelt het als een aanpak.
Het is taal als decor. Het staat stevig, het oogt doordacht, maar je hoeft er niet te diep tegenaan te duwen. U zult begrijpen dat dit mij als schrijver aan het hart gaat. Taal was toch bedoeld om te verbinden, om elkaar te bereiken en elkaar te begrijpen. Waarom ontwikkelen we dan taal die vooral afstand schept? Welke angst ligt hier nu weer aan ten grondslag?
We adresseren geen problemen meer, we borgen processen. We faciliteren geen mensen, we activeren stakeholders. We praten niet, we voeren het gesprek. En ergens, tussen al die zorgvuldig gekozen woorden, gebeurt iets ongemakkelijks: niemand zegt nog wat hij bedoelt. Misschien omdat dat risico met zich meebrengt. Omdat je dan ineens zichtbaar wordt, aanspreekbaar … menselijk zelfs.
Het ironische is dat hoe gewichtiger de taal wordt, hoe leger de inhoud vaak klinkt. Alsof woorden worden ingezet om te verhullen dat er niets onder zit. Of in elk geval niets dat hardop gezegd durft te worden. En dus bouwen we verder, aan zinnen zonder ruggengraat. Aan alinea’s die zich elegant voortbewegen zonder ooit ergens aan te komen. Aan een narratief dat zo zorgvuldig is geladen, dat het geen kant meer op kan.
Misschien is het tijd voor iets anders. Voor iemand die gewoon zegt: “Dit is het plan”, of “Ik weet het niet” of zelfs “Dit gaat mis.” Zonder pakket. Zonder kader. Zonder implementatie. Gewoon een zin die staat. Zonder uitleg. Zonder narratief.



Comments